Vloeibaar verdriet

by | mrt 12, 2024 | Magazine #9 | 0 comments

Vloeibaar verdriet 

Er liggen oude kleren op de trap. Ze liggen er al een paar dagen, omdat niemand ze meeneemt naar de zolder om in een doos op te bergen.
Ik ga naast de kleren zitten en laat ze door mijn handen gaan.
Bovenop ligt een grijs T-shirt met een patroon van tijgers. Daaronder een zachte broek met grote blauwe sterren en een grasgroen T-shirt met een surfer erop.
De mouwen van het T-shirt met de tijgers poffen een beetje aan de naad. Hij was er meteen verliefd op toen hij het zag. Ik ruik eraan, maar zijn geur zit er niet meer in.
Toen zijn oude broek met sterren te klein was geworden, bracht de Sint een nieuw identiek exemplaar. Hij omhelsde de broek alsof het een kostbare schat was en lachte zijn mooiste lach. Er deed maar één kant van zijn gezicht mee, omdat hij langs links al grotendeels verlamd was.
Het T-shirt met de surfer kochten we voor hem op ons laatste weekend samen, ergens in de bossen van Limburg. Hij slijmde toen zoveel dat zakdoeken en handdoeken niet veel meer hielpen. Af en toe een schoon T-shirt dan maar. Op weekend hadden we er niet genoeg bij en toen kochten we deze. Hij lag in een ziekenhuisbed en keek naar buiten, hoe de andere kinderen schommelden.
Mijn jongste dochter droeg de kleren na hem. Ze vindt altijd haar zin bij de jongenskleren. Maar nu zijn ze voor haar te klein geworden. 

Ze werd ouder. Groter. Groter dan haar grote broer.
Daarom blijven de kleren op de trap liggen. 

Het gemis is een constante ruis in mijn achterhoofd. Die soms hard, verwacht of onverwacht, op de voorgrond komt en in mijn gezicht slaat.
Als Lotte op mijn arm wrijft en ‘Ik ga je missen’ fluistert voor ze op meerdaagse schoolreis vertrekt.
Als een treinreiziger tegenover me bladert in het boek met de titel ‘Ik ben er niet’. Tegelijk zie ik hoe de zon een grillige contour tekent om een bloemkoolwolk heen.
Als ik de wagentjes van zijn favoriete kermisattractie voorbij zie flitsen. Ik denk aan de wilde  bochten die het karretje maakte, toen ik me aan hem vasthield.
Als ik een jaar ouder word en mijn extra jaar zo graag aan hem zou schenken. Ik zie dat mijn man ziet dat ik zucht. 

Als.
Als.
Als. 

Maar ook zonder aantoonbare trigger mis ik. Op de fiets. Als ik opsta en als ik ga slapen. Op ons terras. Tijdens het koken of aan tafel. Als het regent. In de auto.
De lege plek brandt in de zon. De zomerstorm woelt door mijn borstkas. De vakantie doet me terugplooien. Op mezelf, naar ons gezin. Ons gezin dat voor mij nog steeds aanvoelt als een gezin van vijf, ook na bijna vijf jaar fysiek met vier.
Kleine rituelen verenigen ons even als vier plus één. Zo stapelen we steentjes bij de dolmen, als de zon nog net niet onder is. We steken elke dag een lange, smalle kaars aan in het kerkje met de dikke muren. En als bij het ontbijt een hagedis de muur opkruipt, noemen we die gewoon een salamander. Een Sandersalamander die ons komt groeten. Dag, lieve jongen.
Er zijn herinneringen die zich in een moment verstoppen. De mistral die een bal wegblaast. De lampionnen in de moerbeiboom. Het smeren van gezouten boter op knisperend Frans brood.
Margot geniet van een stuk watermeloen. Ze sluit haar ogen half en ademt diep in om de geur in zich op te nemen voor ze erin bijt. Soms steekt ze haar duim in de lucht als ze merkt dat we kijken. Zo deed hij het. Via haar blik lijkt hij naar ons te kijken.
Het gemis trekt een fotokader rond de vakantiedagen, om te tonen wat er was, en wat er is.
Dan probeer ik te luisteren naar het verscholen verdriet.
Dan strompel ik, want ik wil terug. Neen, ik wil nu zijn mama zijn. Blijven.
Dan wankel ik, als een koorddanser tussen triest en troost.
Dan probeer ik te omarmen wat er is. 

Dan.
Dan.
Dan.

‘Gaan we woensdag pannenkoekentaart maken?’ vraagt Lotte in een sms’je.
‘Oké,’ stuur ik terug, heel gewoon. Maar er is niets gewoon aan. Honderd gedachten en gevoelens razen meteen door mijn lijf. Hoe mooi het is dat ze dat wil. Hoe triest het is dat ze denkt aan herinneringen met haar kleine broer. Hoe ik gewoon ‘oké’ terugstuur, maar eigenlijk veel meer wil zeggen.
Ik weet meteen waar ze aan denkt – aan onze legendarische pannenkoekentaart van negen jaar geleden, toen we in Addis Abeba woonden. We maakten die voor Koninginnedag op de Nederlandse ambassade. Onze scheve stapel pannenkoeken met een papieren kroon stond er naast driedelige taarten met grote decoraties in kleurrijke rolfondant. Hoe je daar aan geraakte in Ethiopië weet ik nog altijd niet. Ter gelegenheid van koninginnedag liet Sander met plezier de Nederlandse vlag op zijn wang zetten, wat maakte het hem uit. Feest is feest, toch?

Een zware storm brak ons vanzelfsprekende, zachte samen.
Nu lijmen we de barsten met vloeibaar verdriet.
En ergens daar
vind ik hem
in ons nieuwe samen.