In gesprek met Kurt Van Eeghem.
Ooit won hij de HA! van HUMO voor zijn verschijning als dandy-presentator Raphaël Goossens in ‘Hitring’ (BRT). Vandaag heeft Kurt Van Eeghem het dandyeske enigszins van zich afgeschud maar hij blijft gebeten door de kunsten, muziek en literatuur. Hij straalt een joie de vivre uit die zijn leeftijdsgenoten al eens het nakijken geeft. We ontmoeten elkaar in Oostende aan de Venetiaanse Gaanderijen voor een lange, intense babbel.

“Kijk naar de zee, hoe die gedurig verandert”, mijmert Kurt Van Eeghem terwijl we aan de kust bijpraten over het hele leven. Hij legt rond deze tijd de laatste hand aan een boek over Oostende tijdens het interbellum. Glimlachend rijgt hij historische en andere anekdotes aaneen, tot hij plots wijst naar onheilspellende wolken die de kop opsteken boven de Noordzee. “Daarnet was de lucht staalblauw, zo meteen gaat het regenen. Op een uur tijd zie je hier drie cadeaus vol kleurenpracht. De ultieme inspiratie voor schilders van het maritieme landschap. Hier krijgt een mens nooit genoeg van.”

Je omarmt esthetiek, geniet met volle teugen van het leven. Intussen staat er 70 jaar op de teller. Houdt de leeftijd, het verouderingsproces je bezig?
Kurt: “Zeventig is een getal. Niks meer, niks minder. Maar het verouderen, da’s een andere zaak. Dat voel ik uiteraard en dat vind ik verschrikkelijk vervelend. Je wordt sneller moe en ik heb daar hoegenaamd geen zin in, omdat de gedachten niet sneller moe worden. Mijn hoofd draait tegenwoordig een pak sneller dan mijn lichaam: ik wil dit nog, ik wil dat nog… ik wil duizend dingen doen. Maar dat lichaam zegt op het eind van de dag: je moet gaan liggen of je hoofd stilzetten. Uitschakelen. Dat is vreselijk lastig.”

De ergernis beheerst je dagen alvast niet. Je bent actiever dan ooit en kunt terugkijken op een succesvolle mediacarrière. Was dat een jongensdroom?
Kurt: “Het is gewoon op mijn pad gekomen, net zoals het schrijverschap nu. Ik heb nooit achter een job aangezeten, ik ben een absolute geluksvogel geweest. De keuze voor de theateropleiding had ik op mijn elfde al gemaakt. Ik liep school bij de Frères in Brugge. De volgende stap was de academie. Taal boeide me enorm en zo kon ik thuis voorzichtig te kennen geven wat ik ambieerde, al was er een strenge vader die daar anders over dacht. Hij verwachtte dat ik architect zou worden. Gelukkig had ik mijn moeder achter mij, zij had door waar ik mee bezig was. Dat podium, dat zou het worden, maar ik kon er pas aan beginnen bij Studio Herman Teirlinck. Ik schreef me dus in voor het ingangsexamen, moeder gaf centen voor de treinrit en bij terugkeer kon ik thuis tegen vader zeggen dat ik geslaagd was. Er volgde een preek van zijn kant, maar ik ben ermee doorgegaan. Het één is uit het ander voortgevloeid.”

Champagne en een Rolls Royce onder het Atomium

VRT, toen nog ‘de BRT’, werd je landingsplek.
Kurt: “Ik heb er zo’n 40 jaar dienst gedaan, het was een producer van BRT die me destijds in het Arca- theater in Gent aansprak: “Zou dat niets zijn voor u, televisie?”. Ik was wat verontwaardigd maar besloot toch een tekst bijeen te schrijven. Het werd een scenario voor een acterende presentator met een eigen geschiedenis in een vreemdsoortig landschap, waar heel veel champagne gedronken werd. Tijdens de intro kwam die in een Rolls Royce vanonder het Atomium gereden. BRT zag er iets in, Raphaël Goossens was geboren en ik won er de HA! van Humo mee. De eerste die ooit is uitgereikt, and the rest is history. Het ging me voor de wind, ik heb spelprogramma’s mogen presenteren die quasi eeuwig leken te lopen, telkens met veel plezier. Maar het theater en de kunsten bleven mijn grote liefde. Zo ben ik finaal bij Klara beland.”

Was het lastig om een punt te zetten achter dat hele traject? Het obligate pensioen, op 65 jaar?
Kurt:
“Op het eind van de rit stel je inderdaad vast dat je plots met pensioen moet, omdat je bij een openbare omroep werkt. Je zou spijt kunnen hebben, maar ik heb het niet. Als je met kunst bezig bent, ga je niet met pensioen. Ik heb de voorbije jaren zelfs nooit het gevoel gehad dat ik ergens mee ben gestopt. Ik heb vier jaar aan een boek mogen schrijven, met volle overgave. Het gebeurt nu allemaal en ik geniet daar ontzettend van.”

Waarin vindt een bezige bij als jij rust? Is er überhaupt rust in het hoofd van Kurt Van Eeghem?
Kurt
: “Toch wel. Het grote voordeel is dat als ik ’s avonds mijn ogen sluit, ik meteen in slaap val. Ik leg mijn hoofd neer op het kussen en ben vertrokken. En ik slaap tot ik wakker word omdat mijn geweten niet bezwaard is! (lacht). Wakker worden is bij mij 100% uitgerust zijn. Ik ben er meteen, vrolijk, zelden treurig. Als er iets is wat mij dwarszit of ergert, dan spuw ik het eruit, à volonté tegen de muur en daardoor is het weg. Ik krop nooit zaken op. Ik ventileer in mijn eentje en dan begint de dag écht.”

‘Ik ben met de jaren wat filosofischer geworden’

Zijn er dan geen zaken waar je je zorgen over maakt? We leven in bizarre tijden, de ene crisis lijkt de andere op te volgen.
Kurt: “Ach, er zijn altijd crisissen geweest. Kijk maar naar wat de mensen in de jaren ’30 van de vorige eeuw hebben meegemaakt. Toen was er ook een generatie ‘woke’ die dacht dat het niet goed kwam en overreageerde. Dat is nu net zo. Ik ben daar met de jaren wat filosofischer in geworden. Uiteraard zie je pijnpunten die moeten worden aangepakt. We zitten te midden van gigantische golfbewegingen, zoals de Gauss-curve die beschrijft. Het klopt dat de neerwaartse beweging al behoorlijk lang aanhoudt, maar ik ben ervan overtuigd dat die opwaartse beweging weer komt. De wereld is een ‘global village’ geworden, we wéten gewoon veel meer wat er speelt. En tussen alle ellende zitten er ook prachtige dingen, laten we dat niet vergeten. Zoals de Iraanse voetbalploeg die op het WK in Qatar het volkslied niet meezong, uit protest tegen het beleid in eigen land. Dat is niet-normaal-moedig. Of die vrouwen die zonder hoofddoek buitenkwamen, om een statement te maken tegen het bewind. Je wordt in Iran voor het minste vermoord, homoseksuele jongens worden er verkracht en voor dood achtergelaten. Als burgers daar tegenin durven te gaan, geeft mij dat immens veel hoop. Dat meen ik. Je moet in dit leven hoopvol blijven, zonder idioot te doen. Je moet problemen zien, erop wijzen, met de vuist op tafel blijven kloppen. Maar tegelijkertijd: onthouden dat er goede dingen zijn.”

Het goede zien, immer optimist blijven. Het is waar je broer en gevierd acteur Marc om bekend stond. Hij stierf vroeg, was net 57. Wat doet dat met iemand, zijn kleine broertje verliezen?
Kurt: “Dat afscheid… vergeet ik nooit. Nooit. Ik was bij Marc kort voor hij stierf en ik heb daaruit geleerd wat we in stilte allemaal weten: dat het einde bij iedereen anders is. De dood brengt een enorme slag toe, ook zijn begrafenis hakte er waanzinnig in. Ik stond eerst op dat podium te lezen, moedig, maar plots was ik niet meer sterk. Het was compleet op. Toen ik zijn kinderen de kist zag opheffen, was ik letterlijk uit elkaar aan het vallen. Ik dacht: nu breken mijn benen. En mijn armen. En mijn hart.”

Het verpletterende verdriet, voor een optimist pur sang. Hoe geef je dat een plek?
Kurt
: “Marcs overlijden heeft mijn kijk op de dood en eindigheid opnieuw bestendigd. Ik illustreer die kijk altijd met twee verhalen. Het eerste gaat als volgt. Ik ben alleen bij mijn broer in het ziekenhuis, een uur voor hij sterft. Hij ziet helemaal geel. De lever is aangetast door de kanker. Het enige wat hij nog zegt, is: “Kurtje. Pijn. Pijn.” De laatste woorden. En dan nog eens: “Pijn.” Ik vertel ‘m op dat moment dat ik op een bepaald punt wil landen. Want ik weet dat er daarna een dokter binnenkomt en wat er dan zal gebeuren. Vermoedelijk wordt er een sedatieve dosis gegeven. Het gebeurt uiteindelijk als ik weg ben uit het ziekenhuis, ik krijg het bericht wanneer ik met de auto onderweg ben naar huis: het is voorbij. En dan het tweede verhaal. Mijn moeder, die ik zo ontzettend liefhad, zit op het einde van haar leven op mijn schoot. Ik houd haar vast, ze kan zelf enkel nog de bewegingen maken die ik als kind moet hebben gemaakt, toen ik bij haar op schoot zat. Ze beweegt ongecontroleerd, niet goed wetend wat, ze is volledig dement. Sommigen noemen dat een natuurlijke cyclus, maar ik heb voor mezelf besloten dat het een foute cyclus is. Iedereen heeft recht op een eigen kijk, maar ik wil niet dat dit mezelf ooit overkomt. Waanzinnige pijn of niet meer ‘mens zijn’ als het einde nadert, daar pas ik voor. In onze tijden zijn er middelen om dat scenario te vermijden. Die zal ik absoluut inzetten als het nodig is.”

Score 10, ik ben dood

Zelfbeschikking, te allen tijde.
Kurt
: “Absoluut. Nogmaals: Marcske zien verdwijnen, met dat soort pijn? Mijn moeder zien aftakelen en verdwijnen als een plant? No fokking way dat ik dezelfde weg opga.”

Je stond plots zelf nochtans heel dicht bij de eindigheid. Het k-woord viel, Marc was amper twee maanden dood.
Kurt: “Ik had exact dezelfde kanker als Marc, we spreken voorjaar 2018. Prostaatkanker wordt uitgedrukt in Gleason, hij had score 9,5, ik had een 10. Beeld je in. Dat wordt mij zwart op wit verteld door de oncoloog. Mijn man Tom zit op dat moment naast mij en ik kan alleen maar denken: ze hebben een extreem agressieve kanker gevonden, ik ben dood. Marc had minder Gleason-score, en hij heeft het niet overleefd. Ik zeg tegen de arts rechtuit dat ik niet voor het traject van mijn broer wil gaan. Waarop die zegt dat, als de kanker nog ingekapseld is, een operatie mogelijk blijft. Dat ik dus niet gegarandeerd de weg van mijn broer opga. ‘Dan gaan we het proberen’, heb ik geantwoord. Intussen zijn we vijf jaar later en ga ik nog steeds halfjaarlijks op controle. Het bloedonderzoek geeft elke keer nul komma nul alarmwaarden aan. De operatie is geslaagd. Ik besluit daaruit dat het leven totaal oneerlijk is. Waarom Marc wel en ik niet? Maar daar is geen antwoord op.”

Schrikt de dood jou af?
Kurt: “Hoegenaamd niet. Ik hou ongelooflijk van het leven en ik heb geleefd voor drie. Een leven zoals het mijne is een ongelooflijk cadeau. Ik heb alles gedaan wat je je maar kunt wensen. Waarom zou ik dan bang zijn voor de dood? Als ik ergens schrik van heb, dan wel het klimaat-dossier en nucleaire wapens. Mocht het klimaat danig evolueren dat het hier op aarde onleefbaar wordt, dan zitten we met een gigantisch probleem. Daar kun je niet luchtig over blijven doen. Idem met dat wapenarsenaal: er is voldoende aanwezig op deze planeet om met een paar drukken op de knop, alles naar de verdoemenis te helpen. Dat houdt me bezig, ja, maar toch kijk ik liefst vooruit, met de glimlach.”

Dat doe je aan de zijde van een man die een pak jonger is dan jij. Wat betekent de liefde voor jou?
Kurt: “Het is misschien een cliché van hier tot in Tokio, maar zonder liefde betekent het leven niets. De liefde is alles. Ondanks de vaak oppervlakkige afschildering van het thema durf ik zelfs zeggen: beperk de liefde niet. Breid ze uit. Mensen die alleen leven, kunnen ook de liefde kennen. Er is uiteraard eenzaamheid in deze wereld, zelfs in gezinnen, het is misschien wel de zwaarste ziekte van deze tijd. Toch vermoed ik dat er daar een kentering aankomt. Mijn optimisme zegt me dat. Mensen hebben na de pandemie meer dan ooit de drang om dingen samen te doen. Die verbinding – zelfs al is het een modewoord – is ontzettend belangrijk. Dat merk ik zelfs bij buurtfeesten in de straat. En weet je hoe die verbinding het meest tastbaar wordt? Door samen te eten of te koken. Er zijn bekende taferelen van gezinnen waar ouders keihard werken, ’s avonds thuis komen en iedereen zijn maaltijd in de ‘ping’ stopt. Daarna kijken ze samen naar een familie op tv die ze beter kennen dan hun eigen familie. Dààr installeert de eenzaamheid zich, en het gebeurt helaas steeds meer. Dus doe het anders, verdorie, neem de tijd. Groenten snijden, een patatje klaarmaken met een stuk vlees of vis en dat samen opeten: ook dat is liefde. Je gaat aan tafel automatisch in gesprek en zo installeer je échte verbinding.”

De religie van het tafelen

Heb je die filosofie van thuis meegekregen?
Kurt: “Zeker, mijn moeder was immer en genereus. De tafel was ontzettend belangrijk, we zaten er altijd met zijn allen rond. De maaltijd was hét moment van de dag en dat is het voor mij nog steeds. Verzamelen rond de tafel is mijn godsdienst. Neem en eet, praat en maak er een feest van. Als Tom ’s avonds thuis komt, is het voor hem een verademing dat hij zelf zijn voeten onder tafel kan schuiven en lekkers geserveerd krijgt. Ik maak daar werk van en op dat moment gaan we in gesprek: “Hoe was je dag? Hoe heb je ’t gesteld? Heb je
’t gehoord van die plannen over de Boerentoren?”. Oké, soms is de babbel kort, hij leidt een ontzettend druk bestaan, maar het moment is er wel. Dat is mijn religie.”

In het licht van de eindigheid: Tom heeft in theorie nog meer tijd hier op aarde dan jij. Hoe kijk je daartegenaan?
Kurt: “Ik hoop van harte voor hem dat het zo is. Het is voor mij een reden om zelf zo lang mogelijk goed en gezond te blijven. En of hij me jong houdt? Ontkennen heeft geen zin, al zegt hij af en toe wel eens: “Seg, ge zijt oud aan ’t worden…”. Dat geef ik gewoon toe want het is de realiteit. Maar gelukkig ben ik niet oud geboren, alleen het lichaam wordt ouder. De geest is nog springlevend.”

Gesteld dat die springlevende geest dit aardse leven moet samenvatten aan het eind: wat zou de conclusie zijn?
Kurt: “Kort en bondig: het is goed geweest. Waarom zou ik spijt moeten hebben over wat niet was? Ik heb alles gekregen wat je van het leven kunt wensen en ik zit nog boordevol ideeën. À la limite kun je op het eind van de rit misschien spijt hebben dat je niet genoeg van de grond bent geweest of niet ten volle hebt liefgehad. Ik hoef me over geen van beide schuldig te voelen, gelukkig maar. Het is écht goed geweest en er mag wat mij betreft nog meer komen.
Ik ben volop aan het schrijven, het is ongemeen spannend en leuk en ik geniet ervan. Elke dag ontdek ik nog zaken waarvan ik achterover val op mijn buik. Heb je dat zelf al eens geprobeerd? Neem het van me aan: het is een bijzonder moeilijke oefening!”

Tekst Benedikte Van Eeghem
Foto’s © Alex Vanhee