Gelukkig was ik sterk genoeg om deze weg te gaan.

by | sep 14, 2023 | Magazine #7 | 0 comments

Anne Chapelle (64), verpleegkundige en voormalig CEO van onder meer Ann Demeulemeester.

“Misschien zouden veel mensen wat ik heb meegemaakt, niet aangekund hebben. Dertien jaar, dat is niet de leeftijd om je steunpilaren kwijt te raken. Maar om een of andere reden heb ik de constitutie dat ik het fysiek en mentaal kon. Mijn mama kreeg een hersentumor. Mijn vader stierf kort na haar. De zorg voor acht kinderen viel hem te zwaar. Ons grote gezin werd uit elkaar gerukt. De ouderen gingen alleen wonen, de jongeren werden her en der geplaatst. Ik kwam eerst in een weeshuis terecht, daarna in verschillende pleeggezinnen. Daar heb ik hard gerevolteerd. Ik werd altijd anders bekeken dan de biologische kinderen. En ik kon het niet, ‘papa’ en ‘mama’ zeggen tegen wildvreemden. Maar na drie keer verhuizen besefte ik: ik zal moeten zwijgen en het al-leen moeten doen. Dat was moeilijk. Ik was vijftien jaar. Mijn leven was totaal overhoop gegooid, maar ik kreeg geen ruimte om te puberen. Ik leerde op mijn tong te bijten en niet te klagen. Ik moest poetsen en allerlei klusjes doen, als een soort Assepoester. Ik heb vaak gedacht: ik was liever in het weeshuis gebleven, waar iedereen een nummer was, dan terecht te komen in gezinnen waar ik nooit echt deel van mocht zijn. Ik weet dat het mensen doet steigeren als ik dat zeg, maar ik kon er niet gelukkig zijn. Op mijn achttiende ben ik gaan lopen. Ik ben met mijn fiets naar het station gereden. Ik nam de trein naar Mechelen en ben gaan aanbellen bij een klooster. Ik had goed nagedacht. Waar kun je zomaar aanbellen, zonder dat de deur weer dichtslaat? Een jaar ben ik in dat klooster gebleven. Het was een heerlijke tijd. Voor het eerst had ik een plekje voor mijzelf. Een chambrette, met een lavabo, een beddeke en een tafel. Het was simpel. Maar het was van mij, en mijn privacy werd er gerespecteerd. Wat een verademing.”

Bagage van ouders
“Door het klooster ben ik verpleegkunde gaan studeren. Dat was anders nooit mijn eerste keus geweest, maar het was de enige opleiding die ze aanboden. Ik voelde mij daar gesteund, dus ik heb niet gepro-testeerd. En ik heb het toch graag gedaan. Tijdens mijn studie ging ik op internaat. En ik kreeg een voogd, Manu Keirse en zijn vrouw, bij wie ik de weekends mocht doorbrengen. Dat was een goede tijd. Het waren heerlijke mensen, met wie ik goed kon praten. En die mij rust boden, en de veilige haven die ik nodig had. Tot op vandaag zijn zij voor mij enorm belangrijk. Ze hebben er mee voor gezorgd dat mijn leven weer op de rails kon komen en dat ik hoopvol naar de toekomst kon kijken. Dat is ook dankzij mijn ouders. De vertrek-basis van mijn biologische ouders was goed. Ik had een goede moeder, en een goede vader en fijne zussen en broers, die allemaal om mij gaven. Ik denk dat die eerste jaren enorm belangrijk zijn geweest voor hoe ik later in het leven stond. Ja, ik was jong toen ik op mijzelf werd terug-geworpen. Maar ik had verstand. En de bagage en het voorbeeld van mijn ouders. Daar kwam ik een heel eind mee.
Na mijn studie verpleegkunde, ben ik voor mijn droom gegaan. Ik was vijftien toen ik met de tram aan het Tropisch Instituut voorbijreed. Ik heb toen besloten: ooit kom ik hier studeren. Met veel vuur en passie heb ik dat ook gedaan. Ik was er graag. Je kon heel autonoom studeren. Na mijn opleiding ben ik naar Afrika vertrokken. Ik was 22 jaar en had nul werkervaring. Maar ik was jong en ondernemend. Ik kreeg de kans om met een Belgische arts een kliniek te leiden. We deden onderzoek naar TBC en lepra, later naar de nieuwe ziekte, aids. Ik weet nog hoe overweldigend het was toen aids zijn intrede deed. We snapten het niet, al die jonge mensen die plots stierven. Maar we deden wat we konden. Samen met het team. Ik heb in die periode ontzettend veel geleerd.
Ook op het vlak van leiderschap. Een ziekenhuis leiden, ik was daar niet voor opgeleid, maar vanuit mijn intuïtie speelde ik het klaar. Mijn aanpak was veel luisteren, en kijken wie waar goed in is. Als je mensen op de juiste plaats zet, kun je samen groeien. Dat is altijd de basis van mijn leiderschap gebleven.”

Euthanasie

Na twee jaar Congo ben ik ziek naar huis gekomen. Ik had een hersenontsteking. Achteraf is mij verteld dat ik geluk heb gehad dat ik er ongeschonden uitgekomen ben. Daarna ben ik als verpleegkundige naar Nederland getrokken. Ik wilde niet in België blijven. Ik had zo autonoom geleefd, dat ik wist dat ik in een Belgisch ziekenhuis niet zou kunnen aarden. In Nederland was de balans tussen arts en verpleegkundige in de jaren tachtig al anders dan bij ons. Ik kreeg de kans om te specialiseren in neonatologie. Dat is de afdeling met de couveusekindjes, de baby’tjes die passen in één hand. Ik kon mijn eindwerk maken over euthanasie. Een zeer heikele ethische kwestie, maar op de afdeling was het de essentie van ons werk. Als team stelden we altijd de vraag: is het verantwoord om jonge ouders met dit kindje naar huis te sturen? Wat is hier nog waardevol? Wie stuur je naar huis met wie? En is het niet beter om die mensen
een nieuwe kans te geven? Je moet in eer en geweten een antwoord proberen te geven. Voor we naar de ouders gingen, werd er onder de staf grondig gediscussieerd. Gaan we verder en waarom? Als we niet anders konden dan zeggen: hier is nul levenskwaliteit, werd dat zo aan de ouders meegedeeld. Ik heb nooit iemand geweten die niet akkoord was. Of die spijt had achteraf. We hadden ook een ritueel ontwikkeld om
afscheid te nemen. We bleven er altijd bij tot de ouders weggingen. Het was vaak heel hard. Maar ook heel mooi. De passie voor het leven was altijd de leidraad. De verwachting is een waardevol leven. Als daar geen kans op is, moet je eerlijk zijn. Maar natuurlijk was dat moeilijk. Vier jaar heb ik op de afdeling gewerkt. Daarna was het op. Om de paar dagen afscheid nemen van een kindje, dat is heftig als je jong bent en zelf kinderen wilt. Ik hoorde dat er een positie vrijkwam in een nucleair farmaceutisch bedrijf. Ik ging solliciteren. Dat was een klucht. Ik kende er niets van. Maar ik zei tegen de personeelsdirecteur: geef me een handboek en ik kom terug. Vervolgens heb ik het van iedereen gehaald. (lacht) Tien jaar heb ik daar gewerkt. Begonnen als verkoper. Geëindigd als directeur. Om mijn managementskills aan te
scherpen, ben ik toen ook naar de Vlerick-school gegaan. Ik wilde weten of wat ik uit mijzelf deed klopte met de theorie. Ik had altijd alles op gevoel gedaan. Door Vlerick kreeg ik de bevestiging dat ik niet zo slecht bezig was. Het was een zware tijd, want ik had intussen twee kinderen. Maar het was zeer verrijkend.

Buikgevoel

De stap van de chemie naar de mode heb ik door een groot toeval gemaakt. Mijn zoon zat in de crèche met de zoon van Ann Demeulemeester. Eerlijk: ik had nog nooit van haar gehoord. Ik kende niets van mode. Mijn wereld was chemie. En gezondheid. Ik kwam ook uit het putteke van de hel, dan ben je niet met mode bezig. Als ik een jeans ging kopen, keek ik: past het en wat kost het? Vandaag draag ik nog altijd meestal gewoon een broek en T-shirt, en altijd dezelfde schoenen (lacht), maar ik heb evenveel waardering voor deze mensen als voor chemici. Het creatieve zit in het verdomhoekje van onze economie. Maar het is juist de drive, de extra laag. Ik heb veel bewondering voor mensen die vanuit hun buik-gevoel iets maken. Ik heb dat ook maar gedaan. Ik maak van mijn buik-gevoel een organisatie. Zij maken er een item mee. Dat kan ik niet. Maar ik kan wel zeggen: wat jij maakt, kan ik verkopen. Als iedereen samenwerkt, is de ketting gesloten. Toen Ann bij mij kwam, gingen de zaken niet goed. Maar ik voelde de passie en ik wist: ik kan dat omdraaien. Zo zijn we begonnen. Na vier jaar waren we break-even en konden we gaan voor groei. Ik heb daar ondervonden hoe belangrijk perceptie is. We waren maar met vijf in het bedrijf. Als ik de telefoon opnam, deed ik alsof ik de secretaresse was. We moesten doen alsof we groot waren, anders zou niemand zijn geld in onze handen leggen. In the end, it’s all perception. Hoe goed voel jij je bij mij? Goed? Dan gaan we samen omhoog.
Intussen heb ik mijn participatie verkocht. Ik begeleid nu jonge ontwerpers in circulariteit. Ik ben nieuwsgierig. Naar kennis en naar mensen. Er zijn jonge gasten die ongelofelijke dingen doen. Ik probeer hun ideeën te kanaliseren, zodat ze niet blijven hangen in de geitenwollensokken-sfeer. Ik ben in een verhaal gestapt van jeans, HNST, een puur circulair product, dat zonder water en chemicaliën in België wordt gemaakt. Ik kan niet genoeg herhalen hoe trots we op zulke bedrijfjes moeten zijn. Met een andere startup zijn we ook bezig met recuperatie van algen, om stoffen te maken. Het zijn dingen die iets veranderen, die er echt toe doen. En die nu zin geven aan mijn leven. Ik ben 64. Ik heb weinig gevoel bij die leeftijd. Maar ik vraag me wel af: hoe ga ik mijn toekomst nog invullen? De twintig jaar die ik misschien nog heb. Hoe wil ik die dan bewandelen? En met wie? Daar denk ik wel goed over na.

“De mens staat voor mij centraal. Ik wil mensen sterker maken, omhoog tillen.”

Geen doffe ogen
De mens staat voor mij altijd centraal. Ik wil mensen sterker maken, omhoog tillen. Het gevoel dat je iemand vleugels hebt gegeven, daar kan voor mij niets tegen op. Mijn hart voor de mens is de rode draad door alles wat ik heb gedaan. Mensen uit de beroepsschool, die dachten dat ze minderwaardig waren, heb ik naar senior level gebracht. Ik voel niets voor titels of postjes. Wat ik als leidinggever wil, is mensen verder helpen in plaats van neer te halen. Ik ben een gever. Ik kan niet vragen. Ik weet dat die twee in balans zouden moeten zijn, maar ik heb dat achter mij gelaten toen ik vijftien was. Op dat punt ben ik een overlever. Ik heb wel een mooi evenwicht gevonden ín mijzelf, een goede balans tussen ratio en emotie. Daar houd ik mij aan vast. Ik heb altijd mijn eigen weg gekozen en nooit ergens spijt van gehad. Mensen vinden mij soms arrogant. Of moeilijk. Maar zo ben ik niet. Ik zal nooit naast mijn schoenen lopen. Ik heb wel graag openheid en duidelijkheid. Ik kan niet doen alsof. Ik heb veel mensen meegenomen op mijn weg. Maar als het niet juist is, zeg ik stop. Er is in mijn wereld geen plaats voor opportunisme en negativiteit. En daar kom ik ook voor uit. Zeggen wat je denkt, dat heb ik als jonge vrouw in Nederland geleerd. De mensen met wie ik goed gewerkt heb weten dat en appreciëren mij. Dat is voor mij genoeg.
Ik probeer nu zoveel als ik kan te genieten. Dat hoeft niet groots te zijn. Voor mij betekent genieten: de dingen doen waarvan je gelukkig wordt. Het is niet uitbundig, het is integer. Genieten is elke cel van je lijf die goed voelt. Ik wil niets doen waarvan ik denk: ik moet. Misschien is dat wel de essentie, en iets wat voor mij altijd een leidraad is geweest. Ik heb geen gemakkelijk leven gehad. Maar ik heb altijd gekozen voor de dingen die ik graag deed. En nog steeds. Mijn ogen moeten stralen. Het ergste wat je mij kunt aandoen is dat ik een gezicht moet zien met doffe ogen. Door de ogen kijk je naar de ziel. In de ogen zie je altijd of een lach oprecht is. Lachen is mens zijn. En in mijn leven gaat het over mens zijn. En over verbondenheid. En graag zien. Ik ben fier dat mijn familie, die zo bruut uiteengerukt is geweest, die verbondenheid nog heeft. We komen nog altijd samen, om dingen te omarmen. Ik heb nu ook een kleinzoon van twee maanden oud. Zo’n humpje. (lacht) Ik ben geen typische grootmoeder. Maar ik zie mijn kind omgaan met haar kind, en dat dat stabiel en goed is, en dat maakt mij gelukkig. Het idee: het is goed, het kan verder, stelt gerust.
Onvermijdelijk komt er ook afscheid in het leven. Een jaar geleden ben ik mijn beste vriendin verloren, Monique. Ik probeer blij te zijn, omdat wij vijfendertig jaar zo’n mooie weg mochten bewandelen. Maar ik voel dat ik het nog geen plaats gegeven heb. Het is een vinger van mijn hand die weg is. En Google maakt het nog moeilijker om los te laten. Elke dag passeert er wel een foto. Ik probeer dan te denken: kijk die lach, zie hoe ze genoot. Dat geeft ook troost. Zolang er herinneringen zijn, is ze niet weg. En ik draag haar nog altijd bij mij. Waar ik ook kom, Marokko, Hongkong, Seoul, overal reist ze met me mee. We zijn op veel plekken samen geweest. Ze is een deel van mij geworden. Ik hoop dat ik op een dag ook ooit zo meegedragen word.”

Tekst Annelies Rutten
Foto’s © Bart Van Leuven