Zij houdt van uitstellen. En van hem en ons.
Zij hopt van het ene naar het andere, altijd met evenveel hartstocht, maar al te dikwijls zonder het af te ronden. Eén uitzondering: hem en ons. Zij is er altijd.
Hij herinnert het zich niet, maar voelt het wel. De zinnen zijn weg. Enkele woorden zijn gebleven.
Zij droomt allang van een wals in Sissi-jurk onder luchters in een balzaal in Wenen. Maar ze kreeg meer. Zij walsten samen door het leven. Het heeft altijd een snelle wals geleken. Nu traag.
Hij herkent in de tuin uit het niets het geluid van vogels. Hij beantwoordt het gezang met wat moet lijken op gefluit.
Muziek is wat hem gerust stelt. Het is zijn enige fijne gezelschap. En zij, ook hen.
Zij grijpt hem bij beide handen om hem al sloffend naar zijn zetel te leiden, zijn armen heen en weer schuddend, enigszins uit het ritme. Maar neuriënd. Glimlachend.
Hij weet niet meer wat voor- of achteruit is, maar de wielen van zijn rolstoel bewegen onder zijn handen. Hij wiegt op een lied.
De opa-polonaise wordt gereden. Zijn vlotte handzwaai in de lucht heeft plaats gemaakt voor een vreemde, eigenzinnige breakdance move. Gerust wordt er met een bijeen geschreeuwde slow ‘comme d’habitude’.
We zullen wel zien, zegt zij hoopvol.
Dans vooral. Samen. Stel het niet uit tot de muziek stopt.