Column – De maanvissen en kweeperen van grootvader

by | jan 31, 2023 | Magazine #5 | 0 comments

De geur van amber en aarde. Een schriftgeleerde met een hagelwitte baard. En stilte. Wanneer Dichter des Vaderlands Mustafa Kör terugdenkt aan de laatste levensuren van zijn opa, borrelen tedere herinneringen op.

Toen ik een jaar of 9 was, heb ik mijn grootvader zien sterven. Hij kwam te gaan zoals het hoort: thuis, in het vertrouwde bed, omringd door soberheid. Zijn sterfbed stond in de verstilde woonkamer waar een wandklok hing met een aquatisch tafereel op de wijzerplaat. Ik heb uren van dagen gestaard naar de maanvissen erop, waar de ogen van één vis als secondewijzers heen en weer tikten. In een eenvoudig ingericht huis, waar op die klok na alles handgedreven werd, leek het alsof dat schelle getik de maat van ons leven bepaalde. Nooit nog heb ik zo vaak naar sterren gekeken als destijds.
Bijna twee jaren heb ik er geleefd, in een idyllisch dorpje van honderd zielen groot. Het gros van die tijd bracht ik door rond dat ziekbed van mijn grootvader.
Het jaar ervoor was ik met mijn ouders overgevlogen, want ik was nog te jong om bij mijn broer te blijven, aldus mijn vader. Enkele dagen later vertrok vader opnieuw om te gaan werken in de steenkoolmijn van Eisden. Mijn moeder en ik bleven achter, zij diende haar bedlegerige schoonouders te verzorgen.
Het was een tijd van plichtsbesef, soberheid en verlies, die me allicht heeft gevormd, maar tot op heden ook heeft overladen met oprechte en de warmste herinneringen. Naakt zwemmen of paardrijden over de steppes, het hoorde bij het leven van Anatolische kinderen. Het is waar, beste lezer: kinderen passen zich verbazingwekkend snel aan.

Naar het einde toe heeft grootvader moeder meermaals bedankt voor haar goede zorgen. Zijn eigen dochters, die in de stad woonden en het dorpsle-ven maar basse-classe vonden, zag hij slechts sporadisch – op picknicks in de zomer of met feestdagen. Hij beet op zijn tong om ze niet te verjagen als mussen die de kerselaar geweld aandoen. Hun hautaine trekjes waren hem een doorn in het oog. Brood en liefde, meer had een mens niet nodig volgens hem. En stilte. Stilte was de kern der dingen volgens opa. Die dingen vertelde hij me zomaar in zijn kweeperenhof. Ik moest er zowaar dichter voor worden om het kristal in zijn woorden te ontwaren.
Mijn grootvader stierf perfect. Het steeds zachter hijgen, tot het langzaam verglijden in de plooien van de geschiedenis. Het was schitterend als de eerste bladval. Eenvoudig mensenkind dat heengaat in het dorp waar hij werd geboren, trouwde, en – op zijn legerdienst na – altijd zou leven. Het was perfect, op één cruciaal onderdeel na.
Zijn laatste uren waren harmonieus. Een dag of twee eerder, toen onze moeder voorvoelde dat het einde nabij was, kwam een schriftgeleerde langs. Heel de tijd hield de man met ons wake. Las met tussenpozen in het heilige boek. Ik herinner me zijn gezicht. Hij had een hagelwitte volle baard waar-van hipsters zouden opkijken. Ik herinner me zijn ascetische stilte. En dat hij niets at. Ook zijn geur is bijgebleven: een melange van amber en aarde. Een mystieke man die ons bijstond in eenzaam trieste uren. Ik herinner me dat ik bang was. Dat moeder huilde. Dankzij hem hielden we ons sterk.
Wie wel ontbrak, waren zijn kinderen. Zijn gezin. Waar hij in de ijle uren steeds om vroeg. Vooral naar mijn vader. Zijn uitgeweken zoon. Die een week later zou arriveren. Toen er al omgewoelde aarde op mijn grootvader rustte.

Tekst Mustafa Kör